Kruiden zoals rozemarijn, tijm, marjolein en basilicum werden in die tijd het meest gebruikt.
Basilicum: ideaal voor Italiaanse en mediterrane gerechten zoals pastasauzen, pesto of vers in zomerse salades met tomaten en mozzarella.
Peterselie: een veelzijdig kruid dat zich leent voor soepen, sauzen, marinades en om over bijna elk gerecht te strooien voor een fris accent.
Koriander: een karakteristiek kruid voor de Aziatische en Latijns-Amerikaanse keuken, heerlijk in koude salades, salsa, curry's en als ingrediënt in zomerbroodjes.
Munt: populair in gekoelde dranken, desserts en ook in gerechten uit het Midden-Oosten zoals tabbouleh of in combinatie met lamsvlees.
Tijm: de aromatische bladeren zijn heerlijk in ragouts, stoofschotels, sauzen, gebakken aardappelen en ook als ingrediënt in gebak en koekjes.
Rozemarijn: met zijn houtachtige takjes en intense smaak is het heerlijk om vlees te marineren, aan geroosterde aardappelen of focaccia toe te voegen.
Marjolein: lijkt qua smaak op oregano, maar is milder en geschikt voor sauzen, geroosterd vlees en bouillons.
Oregano: een klassiek kruid voor pizza, marinades en Griekse gerechten zoals moussaka of Griekse salades.
Salie: met zijn sterke smaak is het geschikt voor sauzen op basis van boter, gevulde pasta zoals ravioli en bij vlees, vooral gebraden eend of kip.
Lavendel: wordt vaak gebruikt in zoete baksels, bijvoorbeeld in koekjes of cakes, maar je moet er voorzichtig mee omgaan omdat de sterke smaak voor sommigen te sterk kan zijn.
Dille: met zijn delicate smaak die doet denken aan anijs, wordt het vaak gebruikt in Oost-Europese en Scandinavische gerechten zoals visgerechten, augurken en in combinatie met yoghurt of room.